Belastingplan 2010: Meer en makkelijker
ondernemen
belastingplan
2010 (pdf)
Het Kabinet heeft op Prinsjesdag, dinsdag 15 september, de fiscale
plannen voor 2010 bekend gemaakt. De focus van het Belastingplan
2010 is meer en makkelijker ondernemen Staatssecretaris
Jan Kees de Jager zegt het als volgt: Ondernemers zijn de
ruggengraat van de economische ontwikkeling. Ze zijn de motor achter
werkgelegenheid, productiviteit en groei. Daarom zet ik voor 2010
stevig in op het eenvoudiger en aantrekkelijker maken van ondernemen.
De fiscale plannen voor 2010 zijn opgenomen in diverse wetsvoorstellen:
het Belastingplan 2010, het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen
2010, de Fiscale Onderhoudswet 2010, de Fiscale Vereenvoudigingswet
2010 en de Wet Uniformering Loonbegrip.
De belangrijkste voorstellen worden hieronder kort toegelicht. Een
diepgaander beschouwing kunt u verwachten in het komende nummer
van BelastingBelangen.
BEVORDEREN ONDERNEMERSCHAP / IB-ONDERNEMERS
1. Verhogen MKB-winstvrijstelling; afschaffen urencriterium
De MKB-winstvrijstelling wordt verhoogd van 10,5% naar 12%. Hierbij
vervalt het urencriterium, zodat ook deeltijdondernemers en ondernemers
met daarnaast een dienstbetrekking, van de MKB-winstvrijstelling
gebruik kunnen maken.
De MKB-winstvrijstelling geldt voor de jaarlijkse winst én
voor de stakingswinst. Het afschaffen van het urencriterium voor
de MKB-winstvrijstelling maakt het aantrekkelijker om een onderneming
te starten.
2. Zelfstandigenaftrek, gericht op winst
De zelfstandigenaftrek kan vanaf 2010 uitsluitend nog verrekend
worden met winst uit onderneming, niet meer met andere inkomsten
zoals loon of een VUT-uitkering. Als de zelfstandigenaftrek door
deze aanscherping in een jaar niet verrekend kan worden, kan de
aftrek alsnog verrekend worden met de winst uit onderneming in de
negen daarop volgende jaren.
Een uitzondering geldt voor starters. Zij kunnen net als
thans de zelfstandigenaftrek verrekenen met andere inkomsten.
3. Verruimen investeringsaftrek
De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek wordt verruimd. Het maximale
percentage van de KIA gaat omhoog van 25% naar 28%. Onder de voorgestelde
regeling bedraagt de maximale investeringsaftrek € 15.120,
die bereikt wordt bij een investering van € 54.000 tot €
100.000. Het maximumbedrag van de KIA-investeringen wordt verhoogd
tot € 300.000.
De budgetten voor de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de energie-investeringsaftrek
(EIA) worden aanzienlijk verruimd.
4. Verlenging willekeurige afschrijving
Om de liquiditeits- en financieringspositie van bedrijven te verbeteren,
heeft het kabinet al eerder dit jaar in het kader van het
Crisispakket een tijdelijke willekeurige afschrijving voor
bedrijfsmiddelen ingevoerd. Met deze faciliteit kunnen de aangewezen
bedrijfsmiddelen in twee jaar tijd, in 2009 en in 2010, met 2 x
50% worden afgeschreven.
Deze maatregel wordt met een jaar verlengd. Deze faciliteit geldt
zowel voor ondernemers in de inkomsten- als vennootschapsbelasting.
BEVORDEREN ONDERNEMERSCHAP / VPB-ONDERNEMERS
1. Verruiming verliesverrekening
De achterwaartse verliesverrekening de carry-back
wordt tijdelijk verruimd. Voorgesteld wordt om de achterwaartse
verliesverrekening voor de belastingjaren 2009 en 2010 weer op drie
jaar te stellen, de termijn zoals die tot 2007 van toepassing was.
Een verlies uit 2009 kan dan verrekend worden met winsten uit 2006,
2007 en 2008, een verlies uit 2010 met winsten uit 2007, 2008 en
2009. De verruimde carry-back wordt op verzoek verleend.
Keerzijde van de medaille is dat de verruimde carry-back ten koste
gaat van de voorwaartse verliesverrekening. Bij een carry-backtermijn
van drie jaar wordt de termijn van de voorwaartse verliesverrekening
ingekort tot zes jaren. Voor de extra carry-back geldt een plafond
van € 10 miljoen verlies per jaar.
2. Versoepeling regime deelnemingsvrijstelling
De deelnemingsvrijstelling is per 1 januari 2007 ingrijpend herzien.
Sinds 2007 is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing als
de dochtervennootschap kwalificeert als een zogenaamde laagbelaste
beleggingsdeelneming. Dit is het geval als de dochtervennootschap
in het land van vestiging is onderworpen aan een belasting van minder
dan 10% én haar bezittingen voor meer dan 50% bestaan uit
vrije beleggingen. Beide criteria zijn complex geregeld, waardoor
in concrete situaties bijna zelden zekerheid kan worden gegeven
of de deelnemingsvrijstelling van toepassing is.
Het kabinet stelt voor om de voorwaarden voor de laagbelaste beleggingsdeelneming
belangrijk te versoepelen. Kern van deze versoepelde regeling is
dat er een oogmerktoets wordt ingevoerd: er is geen sprake van een
laagbelaste beleggingsdeelneming als de moedervennootschap de aandelen
in de dochtervennootschap niet als belegging houdt. Doel van de
versoepelingen is dat straks vaker dan nu de deelnemingsvrijstelling
van toepassing zal zijn op een belang van ten minste 5% in de buitenlandse
dochtervennootschap. Dat is goed nieuws voor het Nederlandse bedrijfsleven
dat investeert in buitenlandse dochtervennootschappen.
3. Van octrooibox naar innovatiebox
De vennootschapsbelasting kent een bijzonder regime voor opbrengsten
uit octrooien, patenten, en dergelijke, en uit immateriële
activa die opkomen uit speur- en ontwikkelingswerk (S&O-werk)
waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven. Deze opbrengsten worden
belast tegen 10%. De regeling is ingewikkeld opgezet met allerlei
beperkende voorwaarden, plafonds, bedoeld om de octrooibox financieel
beheersbaar te houden. Zo geldt een plafond van viermaal de voortbrengingskosten
en daarnaast voor de zgn. S&O-activa een absoluut maximum van
€ 400.000.
Het kabinet stelt voor om deze octrooibox een ruimer bereik te geven.
Het tarief wordt verlaagd naar 5% en de plafonds worden geschrapt.
Hierdoor wordt de octrooibox die zal worden omgedoopt tot
innovatiebox met name aantrekkelijker voor software en bedrijfsgeheimen,
die óf niet octrooieerbaar zijn óf bedrijven vanwege
de gevoelige bedrijfsinformatie niet laten octrooieren.
In de nieuwe regeling wordt vastgelegd dat het tarief van 5% uitsluitend
geldt voor de positieve voordelen . Daardoor kunnen verliezen uit
de innovatiebox volledig tegen het gewone VPB-tarief van 25,5% in
aanmerking worden genomen.
4. Vereenvoudiging verpakkingenbelasting
De drempel voor de belastingplicht voor de verpakkingenbelasting
wordt verhoogd van 15.000 kilo naar 50.000 kilo. Dat betekent dat
bedrijven die minder dan 50.000 kilo verpakking in het economisch
verkeer brengen vanaf 2010 niet meer belastingplichtig zijn voor
de verpakkingenbelasting. Deze versoepeling wordt gecompenseerd
in de tarieven: die gaan met ruim 8% stijgen.
DE DIRECTEUR-GROOTAANDEELHOUDER IN 2010
1. Doorschuiven AB-claim bij schenking en vererving van AB-aandelen
Bij het schenken en vererven van aanmerkelijk-belangaandelen is
de schenker/erflater 25% inkomstenbelasting verschuldigd over de
meerwaarde van de aandelen. De wet biedt sinds jaar en dag de mogelijkheid
om bij vererving van AB-aandelen deze 25%-heffing door te schuiven
naar degenen die de aandelen erven. Bij schenking van AB-aandelen
kent de wet momenteel géén doorschuiffaciliteit. De
Invorderingswet kent voor deze situatie wél de mogelijkheid
van uitstel van betaling van de verschuldigde belasting voor een
periode van maximaal tien jaar. Het kabinet vindt het onevenwichtig
dat er wel een doorschuiffaciliteit bij overlijden is, en geen doorschuiffaciliteit
voor schenkingen. Een gevolg daarvan kan zijn dat de bedrijfsopvolging
bij BVs wordt uitgesteld tot bij overlijden, en dat is vanuit
economisch oogpunt niet wenselijk. Het kabinet stelt daarom voor
om ook bij schenking van AB-aandelen een doorschuiffaciliteit in
te voeren.
De doorschuifregeling gaat uitsluitend gelden voor aandelen in een
BV die een materiële onderneming drijft: de faciliteit blijft
beperkt tot het ondernemingsvermogen in de BV. De AB-claim die toerekenbaar
is aan het beleggingsvermogen in de BV moet bij schenking of vererving
direct worden afgerekend. De eis dat de BV een materiele onderneming
moet drijven gaat gelden bij schenking én bij vererving van
AB-aandelen. De huidige doorschuifregeling bij overlijden kent die
voorwaarde niet. DGAs met een AB in een beleggingsvennootschap
moeten er dan ook rekening mee houden dat de AB-claim bij hun overlijden
niet meer kan worden doorgeschoven. Zij kunnen die afrekening slechts
voorkomen door in de beleggings-BV een (nieuwe) materiële onderneming
te starten of door te emigreren.
Om de pijn van de aangescherpte doorschuiffaciliteit bij vererving
te verzachten, komt er een tegemoetkoming voor de situatie waarin
binnen twee jaren na de vererving van de AB-aandelen, waarbij de
AB-claim over het beleggingsvermogen in de vennootschap is afgerekend,
de BV dat beleggingsvermogen (deels) als dividend uitkeert. Dat
dividend blijft, op verzoek, onbelast, mits dat wordt afgeboekt
op de verkrijgingsprijs van de door vererving verkregen aandelen.
Het kabinet heeft aangekondigd dat er voor de verzwaarde doorschuifregeling
bij overlijden een bescheiden overgangsmaatregel zal worden getroffen.
Deze ziet op holding-BVs die vóór 2010 de aandelen
in één of meer werkmaatschappijen hebben overgedragen
tegen een vordering op de koper. Die vordering wordt dan als ondernemingsvermogen
aangemerkt, zodat in geval van overlijden de doorschuifregeling
(toch) van toepassing is.
2. Uitstel van betaling over AB-inkomen versoepeld
De Invorderingswet kent de mogelijkheid van uitstel van betaling
van de verschuldigde AB-heffing als de AB-houder bij de overdracht
van zijn aandelen geen contanten verkrijgt. Denk aan de schenking
van AB-aandelen, of de verkoop tegen een vordering. De uitstelregeling
gaat vervallen bij schenking van AB-aandelen: door de invoering
van de doorschuiffaciliteit zoals hiervoor vermeld is de regeling
overbodig. Voor andere situaties vooral de overdracht van
aandelen waarbij de koper de koopsom schuldig blijft zal
de uitstelregeling worden verruimd: de beperking tot de familiekring
komt te vervallen.
3. TBS-pand belastingvrij naar de BV
Het kabinet wil DGAs in 2010 eenmalig de mogelijkheid te bieden
om een pand dat zij aan hun BV verhuren (TBS-pand) belastingvrij
in te brengen in een BV. Bij een recht-toe, recht-aan overdracht
van het pand aan de BV is de DGA inkomstenbelasting verschuldigd
over de meerwaarde van het pand én kost die overdracht 6%
overdrachtsbelasting over de werkelijke waarde van dat pand. Het
kabinet is bereid die heffingen onder voorwaarden eenmalig in 2010
achterwege te laten. De DGA kan zijn TBS-pand inbrengen in de BV
waaraan hij dat ter beschikking stelt, maar ook aan een ander, nieuw
opgerichte BV. De eenmalige inbrengfaciliteit geldt uitsluitend
voor onroerende zaken, niet voor andere vermogensbestanddelen die
de DGA aan zijn BV ter beschikking stelt. Wel zijn er nadere voorwaarden
verbonden aan deze eenmalige vrijstelling.
Specifiek voor de vrijstelling van de overdrachtsbelasting geldt
als voorwaarde dat de TBS-situatie al vóór 1 september
2009 bestond. Voorts gelden voor deze vrijstelling twee voorwaarden:
de DGA moet zijn belang van 90% of meer in het aandelenkapitaal
van de BV tenminste drie jaren behouden, én de BV moet ten
minste drie jaren na de inbreng in het bezit blijven van de ingebrachte
onroerende zaak.
4. Invoering TBS-vrijstelling
Het kabinet wil het effectieve tarief voor de TBS-regeling verminderen.
Voorgesteld wordt om in de TBS-regeling een faciliteit in te voeren
die soortgelijk is aan de MKB-winstvrijstelling. Voorgesteld wordt
om 12% van het TBS-resultaat vrij te stellen.
5. HIR en KER ook in de TBS
Voorgesteld wordt om de herinvesteringsreserve (HIR) en de kostenegalisatiereserve
(KER) vanaf 2010 ook toe te staan bij toepassing van de TBS-regeling.
6.Gebruikelijk loon tot € 5.000 per jaar: fictief-loonregeling
vervalt
Het kabinet erkent dat de fictief-loonregeling tot onevenredig zware
administratieve lasten leidt als het gebruikelijke loon erg laag
is. In dergelijke situaties verricht de DGA nauwelijks werkzaamheden
voor zijn BV (bijvoorbeeld bij een beleggings-BV), en moet er toch
een loonadministratie worden opgezet en elke maand weer aangifte
loonheffingen worden gedaan. Het kabinet stelt voor om de fictief-loonregeling
(binnen de loonbelasting) te laten vervallen als het gebruikelijk
loon niet hoger is dan € 5.000 per jaar.
Financiën heeft, tegelijk met het Belastingplan 2010, bekend
gemaakt, dat het gebruikelijk loon in 2009 of 2010 lager kan worden
vastgesteld als zich in die jaren aanzienlijke omzetdalingen voordoen.
7. Versoepeling pensioen in eigen beheer en loondervingstamrechten
De DGA mag zijn pensioen in eigen beheer, binnen de eigen BV opbouwen.
Onder de huidige wettelijke regeling moet die BV in Nederland gevestigd
zijn en moet de BV de pensioenverplichting voor de heffing van de
vennootschapsbelasting tot het binnenlands ondernemingsvermogen
rekenen. Die vereisten lijken in strijd met het EU-recht. Vandaar
dat voorgesteld wordt voortaan ook eigen-beheerlichamen die zijn
gevestigd in een andere lidstaat van de EU toe te staan als pensioenverzekeraar
van de DGA. Deze wetgeving zal eveneens gaan gelden voor ontslagvergoedingen,
die kunnen worden ondergebracht bij een BV.
WERKGEVERS EN WERKNEMERS
1. Naar een uniform loonbegrip
De grondslagen voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen,
de premieheffing werknemersverzekeringen en de Zorgverzekeringswet
worden geüniformeerd. Daardoor treedt er een aanzienlijke besparing
aan administratieve lasten op bij werkgevers, wordt de loonaangifteketen
bij de Belastingdienst en het UWV efficiënter, én het
loonstrookje van de werknemer wordt een stuk eenvoudiger. De uniformering
moet ingaan per 1 januari 2011.
Het wetsvoorstel Uniformering loonbegrip omvat de volgende voorstellen:
- afschaffen van het werknemersdeel van de ww-premie;
- de bijdrage in de levensloopregeling wordt aftrekbaar voor de
premieheffing werknemersverzekeringen;
- de bijtelling voor privé-gebruik van de auto van de zaak
wordt onder
de premieheffing werknemersverzekeringen gebracht;
- de werkgeversvergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage
Zorgverzekeringswet wordt afgeschaft.
2. Naar een werkkostenregeling
Het merendeel van de 29 (gedeeltelijk) onbelaste vergoedingen en
verstrekkingen die werkgevers aan hun werknemers kunnen verstrekken,
gaat vervallen. Hiervoor in de plaats komt een werkkostenregeling,
op grond waarvan de werkgever de werknemer maximaal 1,5% van zijn
loonsom belastingvrij kan vergoeden.
Daarnaast blijft een beperkt aantal vergoedingen bestaan dat net
als nu altijd belastingvrij kan worden verstrekt. Denk aan reiskosten,
tijdelijke verblijfkosten, cursussen en dergelijke, etc. Voor verstrekkingen
(in natura) geldt hetzelfde. Hieraan verandert niets met dien verstande
dat een verhuiskostenvergoeding alleen nog maar belastingvrij zal
zijn als er sprake is van een bedrijfsverplaatsing. Andere verhuiskostenvergoedingen
vallen onder de nieuwe 1,5%-regeling.
De tweede categorie omvat vergoedingen van zaken die werkplek-gerelateerd
zijn. Denk aan consumpties onder werktijd, mobiele telefoon, etc.
Deze kunnen geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld. Als de werkgever
deze verstrekt geldt hetzelfde: ze worden op nihil gewaardeerd of
er wordt een lagere waarde vastgesteld.
Vergoedt of verstrekt de werkgever meer dan 1,5% van de loonsom,
dan is de werkgever over dat meerdere een eindheffing van 80% verschuldigd.
De werkgever mag, als dat met de werknemer is afgesproken, de vergoeding
of verstrekking ook als loon benoemen en gewoon loonbelasting inhouden.
In dat laatste geval zijn ook premies werknemersverzekeringen verschuldigd.
Voor de auto van de zaak en het verstrekken of ter beschikking stellen
van woonruimte blijven de huidige regels gelden.
Omdat deze nieuwe regels ingaan op 1 januari 2011, moeten werkgevers
vóór die datum nieuwe afspraken met hun werknemers.
3. Uitbreiding afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk
Het bedrag waarover Afdrachtvermindering S&O kan worden verkregen
gaat éénmalig (voor het jaar 2010) verder omhoog.
De maximale loongrens gaat omhoog van € 150.000 naar €
220.000.
4. Vereenvoudiging heffingskortingen
Met ingang van 1 januari 2011 worden de doorwerkbonus en de arbeidskorting
samengevoegd in een (nieuwe) doorwerkbonus, die neerkomt op een
verhoogde arbeidskorting voor de belastingplichtige die vanaf een
bepaalde leeftijd doorwerkt.
5. Auto van de zaak
Voor een auto van de zaak blijft de huidige regeling voor de bijtelling
voor het privé-gebruik van toepassing. Als de auto van de
zaak op jaarbasis meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden
wordt gebruikt, geldt in beginsel een bijtelling van 25% van de
cataloguswaarde. Voor bestelbussen die wisselend door werknemers
worden gebruikt en voor oldtimers gelden afwijkende regels. De bijtelling
bedraagt 20% voor zuinige autos en 14% voor zeer zuinige autos.
Voor elektrische autos (autos met een CO2 uitstoot van
0 gram per kilometer) bedraagt de bijtelling in 2010 en 2011 0%.
Voor de jaren 2012, 2013 en 2014 zal de bijtelling 7% gaan bedragen.
6. Vrijstelling kleine baan
Voor jongeren tot 23 jaar met een kleine baanverdwijnt
de inhoudingsplicht. De premieheffing wordt per 1 januari 2010 afgeschaft.
Eveneens verdwijnt vanaf 2010 de verplichting deze werknemers een
inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet te verstrekken.
De inhouding van de loonbelasting/premie volksverzekeringen wordt
per 2011 afgeschaft. Wat onder een kleine baan wordt verstaan is
afhankelijk van de leeftijd van de werknemer. De loonbedragen waarbij
een dienstbetrekking als kleine baan wordt aangemerkt verschillen
per leeftijd.
7. Uitbreidingen afdrachtvermindering onderwijs
De afdrachtverminderingen onderwijs (loonkostensubsidies die onder
andere van toepassing zijn als de werknemer een bepaalde opleiding
volgt) worden uitgebreid. De afdrachtvermindering onderwijs die
geldt als een werknemer een opleiding volgt om het startkwalificatieniveau
te behalen, wordt opgerekt.
Daarnaast komt er een afdrachtvermindering onderwijs bij. Deze bedraagt
€ 500 per werknemer die in 2010 gaat beginnen met een serieuze
opleiding, die relevant is voor zijn huidige of toekomstige functie
bij de werkgever. De afdrachtvermindering is alleen van toepassing
op werknemers die in 2010 met een dergelijke opleiding beginnen
en geldt vooralsnog ook alleen voor 2010. Als voorwaarde geldt daarnaast
dat de werkgever tenminste 50% van de opleidingskosten draagt. De
afdrachtvermindering is niet van toepassing als (met uitzondering
van de afdrachtvermindering voor EVC-procedures) ten aanzien van
de opleiding één of meer van de andere afdrachtverminderingen
van toepassing zijn.
8. Loon in, loon over
Als een inhoudingsplichtige met betrekking tot verstreken loontijdvakken
binnen het kalenderjaar loon verstrekt, mag de inhoudingsplichtige
dat loon (overeenkomstig een door hem bestendig gevolgde gedragslijn)
aan de desbetreffende loontijdvakken toerekenen, zo nodig door middel
van het indienen van correctieberichten. Dat loon wordt voor de
berekening van de inhouding gerekend tot het loon van het desbetreffende
loontijdvak en wordt geacht in die tijdvakken te zijn genoten. Deze
goedkeuring blijft ook gelden voor 2010.
OVERDRACHTSBELASTING
1. Vervallen monumentenvrijstelling overdrachtsbelasting
De vrijstelling voor de verkrijging van Rijksmonumenten vervalt
per 1 januari 2010. Dat is opmerkelijk, omdat Financiën eerder
dit jaar na een uitspraak van de belastingrechter
de monumentenvrijstelling heeft verruimd tot de verkrijging van
Rijksmonumenten door natuurlijke personen.
OMZETBELASTING
1. Aanpassen reikwijdte integratieheffing
De Wet op de omzetbelasting 1968 kent een zogenaamde integratieheffing
op goederen die in het eigen bedrijf vervaardigd zijn, indien deze
goederen door de ondernemer (deels) voor vrijgestelde prestaties
gebruikt. De integratieheffing is een fictieve levering. Bij beleidsbesluit
is onder voorwaarden goedgekeurd dat de integratieheffing voor bepaalde
sectoren buiten toepassing kan blijven. Het gaat dan onder andere
om woningcorporaties, ziekenhuizen en verzorgingstehuizen.
Dit keuzerecht blijkt in strijd te zijn met de Europese BTW-richtlijn.
Het kabinet heeft daarom besloten dit beleidsbesluit per 1 januari
2010 in te trekken. Deze intrekking gaat gepaard met een redelijke
overgangsregeling.
2. Schilder- en stukadoorswerk
Voor schilder- en stukadoorswerkzaamheden geldt het lage BTW-tarief
van 6%, mits de werkzaamheden worden uitgevoerd aan woningen van
15 jaar of ouder. Dit verlaagde tarief wordt structureel gemaakt
en verruimd. Het lage tarief is vanaf 2010 van toepassing op werkzaamheden
aan woningen van twee jaar en ouder. Deze versoepeling zal met terugwerkende
kracht tot 15 september 2009 in werking treden.
FORMEEL RECHT
1. Boetebeleid aangepast
De maximale verzuimboete voor het niet, niet tijdig of niet volledig
doen van aangifte voor een aanslagbelasting wordt verhoogd van €
1.134 naar € 4.920. Met ingang van 1 januari 2009 zijn deze
verzuimboetes in beginsel gefixeerd op een vast percentage van 20%
van het maximumbedrag voor de inkomstenbelasting en 50% voor de
vennootschapsbelasting.
Voorgesteld wordt om een verzuimboete in te voeren voor het niet,
gedeeltelijk niet, of niet tijdig betalen van een aanslagbelasting.
Deze verzuimboete kan worden opgelegd voor verzuimen die zijn begaan
op of na 1 januari 2011. Als een aanslagbelasting (gedeeltelijk)
niet of niet tijdig wordt betaald, is dit een verzuim waarvoor een
boete kan worden opgelegd naar een maximumbedrag van € 4.920.
Deze boetes zullen niet via een geautomatiseerd systeem opgelegd
worden, maar uitsluitend in situaties waarin sprake is van het stelselmatig
niet betalen van belastingschulden.
2. Startdatum heffingsrente
Als startdatum voor de berekening van de heffingsrente voor de inkomsten-
en vennootschapsbelasting gaat voortaan weer de eerste dag na het
einde van het belastingjaar gelden. Dat is een grote vereenvoudiging
ten opzichte van de huidige situatie, waarbij een startpunt geldt
van 1 juli van het belastingjaar zelf.
3. Uitbreiding navorderingsbevoegdheid inspecteur
Voorgesteld wordt dat de inspecteur de verschuldigde belasting kan
navorderen als de belastingaanslag, ten gevolge van een fout, voor
de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar onjuist is vastgesteld
ofwel een aanslag achterwege is gebleven. Daarbij kan het zowel
gaan om een fout van de inspecteur bij het verwerken van de aanslag
als een fout van de belastingplichtige bij het elektronisch invullen
van de aangifte. In één oogopslag moet het voor de
belastingplichtige duidelijk zijn dat de aanslag onjuist is. Het
gaat er om dat de belastingplichtige met een gemiddelde kennis van
en inzicht in het fiscale recht, moet kunnen onderkennen dat de
aanslag onjuist is.
Navordering op grond van dit kenbaarheidvereiste is alleen mogelijk
gedurende twee jaren na het opleggen van de belastingaanslag, dan
wel het besluit geen aanslag op te leggen.
4. Uitbreiding naheffingsbevoegdheid inspecteur
Voorgesteld wordt om de naheffingsbevoegdheid van de inspecteur
uit te breiden. Naheffing zal mogelijk zijn in alle gevallen waarin
een verzoek van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige ten
grondslag ligt aan de vrijstelling of de vermindering van belasting,
of de teruggaaf van belasting.
5. Schriftelijke melding betalingsonmacht
In de Invorderingswet 1990 zal worden vastgelegd dat de melding
betalingsonmacht voortaan schriftelijk moet plaatsvinden. Dat kan
zowel een papieren als een digitale melding zijn. De bestuurder
kan gebruikmaken van een meldingsformulier dat te downloaden is
vanaf de website van de Belastingdienst.
ALGEMEEN - PRIVÉ
1. Eigen woning: herleving renteaftrek na tijdelijke verhuur
Huiseigenaren die onlangs een nieuwe woning hebben gekocht, hebben
soms grote problemen met de verkoop van hun oude woning.
Dan kan financiële problemen veroorzaken: de dubbele financieringslasten
op de nieuwe én de oude woning, kunnen problematisch zijn.
De wet staat een renteaftrek op de oude woning toe, ook al wordt
die niet meer als eigen woning benut, en wel gedurende ten hoogste
twee jaren na het betrekken van de nieuwe woning. Voor die renteaftrek
gelden diverse voorwaarden. Zo is het niet toegestaan om de woning
te verhuren.
Financiën keurt nu alsnog goed dat wanneer de huiseigenaar
zijn oude woning tijdelijk gaat verhuren, hem dat geen
inkorting van de renteaftrek op die woning oplevert. Als de oude
woning tijdelijk wordt verhuurd en de verhuurm wordt weer beëindigd,
dan herleeft de renteaftrek op deze woning. De rente kan dan nog
als aftrekpost worden opgevoerd gedurende resterende periode van
de maximaal twee jaar extra renteaftrek. Deze maatregel geldt uitsluitend
voor de belastingjaren 2010 en 2011. Ook als de woning al in 2008
of 2009 is verhuurd.
2. Vereenvoudiging eigenwoningregeling
De bijleenregeling wordt op drie punten vereenvoudigd. Het betreft
het uitbreiden van de renteaftrek over de meegefinancierde kosten,
het afschaffen van de goedkoperwonenregeling en het beperken van
de eigenwoningreserve van vijf naar drie jaar.
3. Stroomlijning partnerbegrip
In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt een basispartnerbegrip
opgenomen. In de afzonderlijke heffingswetten kan het basispartnerbegrip
worden uitgebreid of kunnen de voorwaarden worden aangevuld. De
keuzeregeling voor de inkomstenbelasting vervalt daarbij. Het partnerbegrip
voor de inkomstenbelasting en toeslagen wordt geharmoniseerd. Om
voor de uitvoering voldoende tijd beschikbaar te hebben, worden
het uniforme partnerbegrip en de daarmee samenhangende wijzigingen
per 1 januari 2011 ingevoerd.
4. Vereenvoudiging box 3
Voorgesteld wordt om in box 3 één peildatum in te
voeren. Onder de huidige wettelijke regeling gelden twee peildata
om het voordeel uit sparen en beleggen in box 3 te bepalen: 1 januari
en 31 december. Voorstel is om per 2011 nog maar één
peildatum te hanteren: 1 januari van het kalenderjaar.
Op basis van de huidige wettekst kunnen partners voor box 3 per
vermogensbestanddeel een keuze maken in de onderlinge verdeling
daarvan. Het kabinet stelt voor om de verdeling voortaan alleen
mogelijk te maken voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen
(= de gemiddelde rendementsgrondslag van de belastingplichtige en
zijn partner, verminderd met het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige
en zijn partner).
De waarde van box 3-woningen wordt gesteld op de WOZ-waarde (in
plaats van de waarde in het economisch verkeer). Voor woning in
verhuurde staat (die onder de huurbescherming vallen, dus niet vakantiewoningen)
wordt de WOZ-waarde gecorrigeerd, rekening houdende met de waardedrukkende
werking van de verhuur. Ook erfpachtcanons kunnen in mindering worden
gebracht op de WOZ-waarde (voor box 3).
Het kabinet introduceert een vrijstelling van contant geld en daaraan
gelijk te stellen vermogensrechten van € 500 per belastingplichtige
(€ 1.000 voor partners).
5. Persoonsgebonden aftrek en schulden in box 3
De Hoge Raad heeft in een recente procedure beslist dat voor giften
in de vorm van een lijfrente een dubbele aftrek geldt. De gift zelf
is als persoonsgebonden aftrekpost aftrekbaar in box 1, en de verplichting
om die gift ook in de resterende (vier) jaren te doen is aftrekbaar
in box 3. Hetzelfde geldt ten aanzien van alimentatieverplichtingen.
Het kabinet vindt deze dubbele aftrek niet wenselijk, en gaat de
wet op dit punt per 31 december 2009 wijzigen. Door dit ingangstijdstip
is de schuld dit jaar al niet meer aftrekbaar.
6. Banksparen uitgebreid
Op 1 januari 2008 is het mogelijk geworden lijfrenten bij een bankinstelling
onder te brengen en fiscaal gefacilieerd te sparen voor de aflossing
van de eigenwoningschuld. Het Belastingplan 2010 stelt een uitbreiding
van het banksparen voor, door het mogelijk te maken een goudenhanddrukstamrecht
(ontslagvergoeding) en ook het sparen voor de uitvaart (box 3) onder
te brengen bij een bankinstelling.
7. Schenkings- en successierecht
Vanaf 1 januari 2010 kunnen belastingaanslagen voor het successierechten
in box 3 in aftrek worden gebracht. Ook wordt er vanaf die datum
heffingsrente berekend over successierechten wanneer de aangiftetermijn
van acht maanden is verstreken.
8. Vereenvoudiging lijfrenten/pensioenen
De terugwentelingstermijn voor lijfrentepremies komt te vervallen.
Deze terugwenteling is overbodig aangezien alle benodigde gegevens
voor de berekening van de lijfrentepremieaftrek tegenwoordig tijdig
beschikbaar zijn. De terugwentelingstermijn blijft wel bestaan voor
lijfrentepremies bij staking van een onderneming en/of de omzetting
van de oudedagsreserve.
Daarnaast wordt voorgesteld een termijn in de wet op te nemen, waarbinnen
een begunstigde na expiratie van een lijfrentecontract een keuze
heeft gemaakt over de uitvoering van zijn lijfrente.
FISCALE VERGROENING
In het kader van de fiscale vergroening worden per 1 januari 2010
weer vele maatregelen voorgesteld. Met name voor wat betreft autos.
Vermeldenswaard zijn de volgende maatregelen:
- een hogere BPM-korting van € 700 voor zuinige autos;
- de invoering van een nihiltarief voor zeer zuinige autos
in de MRB;
- een intensivering van investeringsfaciliteiten voor zeer zuinige
autos;
- een verlaging bijtelling privégebruik voor nulemissieautos;
- een verlenging vrijstelling voor nulemissie in de BPM;
- een stimulans voor Euro-6 dieselpersonenautos in de BPM.
onl ine,
accountant, accountancy, boekhouding, boekhouder, administratie,
administratiekantoor, loonadministratie
|